Vragen van een zesjarige

Bij het passeren van een verlichtingswinkel:

“Waarom verkopen ze in die winkel een lamp in de vorm van een maan? Een maan geeft toch geen licht. De zon geeft licht en de maan reflecteert dat licht. Dus die lamp was beter een zon geweest. Of een ster. Die geven licht.”

 

In de badkamer:

“Papa, ik heb een vraag waarop jij zal zeggen: ‘jamaar, dat weet ik niet, dat ga je aan de tandarts moeten vragen'”

“Ja?”

“Als ik mijn tand, die nu los staat, extra goed poets, gaat die dan sneller uitvallen?”

Brood

Goed brood is zo moeilijk te vinden (terwijl ik dit schrijf, valt het in het ritme van Feargal Sharkey’s A Good Heart). Hier, een knuffelrockmoment: “A good bread, these days, is hard to find…”

Als je meel koopt en je bakt zelf een brood krijg je spons. De bakker om de hoek (bakker Stefan) heeft een winkel vol met tientallen verschillende soorten spons, witte spons, bruine spons, spons met graantjes. De uitdaging is al niet meer om goed brood te vinden, maar gewoon om brood te vinden. Ik heb dan uiteindelijk iets eetbaars gevonden (het Deense brood bij bakker De Rycke), maar dit valt ook niet onder mijn noemer “goed brood”. Het is aanvaardbaar brood.

Ik word ziek van spons. Nee, dat is niet waar. Het is I. die een glutenallergie heeft en er echt ziek van wordt. Bij mij is het eerder een soort frustratie. Is dit wat wij eten?

In de Zuidstraat in Brussel is er een kaaswinkeltje (Cathérine), uitgebaat door twee oude (echt oude), Brusselse (echt Brusselse) zussen. Daar kan je nog een echt brood, of zelfs een boterham, kopen. Met kaas. Of hesp. Of kop. Ik heb dat al lang niet meer gedaan, het is 15 minuten wandelen van het kantoor en ik neem die tijd niet.

Dus kan ik het feit dat goed brood moeilijk te vinden is, terugplooien op mijn onwil om het te zoeken. Maar dat is een foute houding. Het ligt niet aan mij dat het vrijwel nergens te verkrijgen is. Goed brood werd vroeger thuis gebakken. Elke bakker had echt brood. Het koste moeite om het te verorberen (ik herinner me als kind dat het boerenbrood van bakker Ponnet niet echt mijn favoriet was). Eén boterham was genoeg. Bij Cathérine is één (dubbele) boterham genoeg. Het vult. Het lichaam moet moeite doen om het te verwerken. Huidige broden zijn zo verteerd. En laten ze een onvoldaan gevoel achter.

Een collega van I. gaat elke week naar Beveren, naar een boerenmarkt, een koopt daar brood voor een hele week. Er zijn bakkers hier en daar die teruggaan naar het echte brood van vroeger. Traagrijzend brood. Natuurlijk geoogste desem. Sterrenchef Kobe Desralmault gaat een bakkerij beginnen. Er is hoop.

Maar dat is niet wat de consument wil. Die wil spons. Of denkt dat die spons wil (maar dat is hetzelfde, zeker?). En de -industriële- bakkers die dit soort brood maken, gebruiken industrieel meel. En dat meel is niet meer gemalen tarwe. Er zitten elementen in van gemalen tarwe, ja, dat wel. En dan worden eiwitten, enzymen, gluten, vitamine C voor het rijzen… toegevoegd. De reologie moet geoptimaliseerd worden. Brood is ingewikkeld geworden. Michael Pollan zei, in “In Defense of Food“, “Don’t trust anything with more than 5 ingredients”. Brood zou moeten zijn: bloem, water, gist, zout en wat boter. Maar het probleem van brood start al met de bloem. We kunnen zelfs geen gewone bloem meer kopen. Het is een samenstelling van elementen uit gemalen tarwe.

Gemalen tarwe, gemalen tussen twee stenen in een molen aangedreven door wind, zo wil het stereotype beeld, is niet lang houdbaar. De oliën van de tarwe zorgen ervoor dat het snel ranzig wordt. En een pak bloem moet toch een jaar op het schap kunnen staan? Dus tarwe wordt door een fabriek gejaagd. Gezeefd. Uit elkaar gehaald en weer gemengd. Tot de samenstelling die de met wetenschap ondersteunde klant wil.

Het is een interessant verhaal, dat verhaal van bloem. En van brood. Het komt allemaal samen in die perfecte boterham, die zo zeldzaam is geworden. En dan lees ik een mooi essay over brood in de New Yorker van vorige week: “Bread and Women“. Hij eindigt met “Women remember everything. (Good) bread forgives us all.” Dat cursief is van mij.

Evolutie

“Papa? …”

“Ja, Miep”

Eigenlijk moest ze haar tanden poetsen.

“Euch. Oma en Opa zijn jouw mama en papa. Die hebben een mama en een papa. En zij hebben ook weer een mama en een papa. En die ook weer… Maar, wat hebben dan de eerste mama en papa?”

“… zucht …”

Hoe antwoord je zoiets begrijpbaar en zonder over de flauwekul van Adam en Eva te beginnen? Ik heb een poging gedaan, maar reed me redelijk snel vast in evolutietheorie (ik wou uitleggen dat er niet zoiets is als een eerste mama en papa).

Oh ja. Er was een wereldrecord gelopen.

Tijdens de vorige marathon van Berlijn volgde Wilson Kipsang (Kenia) Patrick Makau (Kenia) op als wereldrecordhouder op de marathon met een tijd van 2u03m23s (het moet nog gevalideerd worden). En toch is het niet de snelste marathon ooit. Die staat op naam van Geoffrey Mutai (Kenia) met een tijd van 2u03m02s. Maar de Boston Marathon begint in het binnenland en eindigt na een rechte 42km aan de kust. Er zijn meer dalende stukken dan stijgende stukken en is er dus een voordeel. Voor een wereldrecord moet de afstand tussen de start en de finish minder zijn dan de helft van de wedstrijd. In Berlijn is die afstand een paar honderd meter.

Wij zagen zaterdag de skeelers aankomen. Bart Swings (België) eindigde in 59m28s. Ook een record.

Dus: ik liep, strompelde en kroop de 2011 Berlin Marathon toen Patrick Makau de snelste tijd liep. Ik liep de 2013 Berlin Marathon toen Wilson Kipsang die weer wat scherper stelde. Correlatie, geen causaal verband. Just sayin’.

Image